De ontstaansgeschiedenis van het dorp Bruchterveld

Een wijk wordt gegraven in "het Hongerveld"
(veen- en heidegronden in eigendom van de marke Brucht)

(bewerking van 4 artikelen, gepubliceerd oktober 1985 in het blad “De Toren”, geschreven door ing. Joh. L. Lutjeharms)
voetnoten en aanvullende informatie van G.W. Grimmerink


Ontwikkelingen in de oude marke Brucht

Het Bruchterveld behoorde tot het midden van de 19e eeuw tot de nederzetting Brucht en was gelegen binnen de marke Brucht.
In 1850/1856 werd het doorsneden door de aanleg van het Overijssels kanaal Almelo - De Haandrik. De aanleg van watergangen en ontveningen, in die tijd erg actueel, moest met medewerking en onder goedkeuring van de markerichter en geërfden worden gerealiseerd.

De oude marke Brucht werd begrensd door de rivier de Vecht (oude loop), de marken van Hardenberg en Baalder, Sibculo, Bergentheim en Duits gebied.
De aanleg van het Overijssels Kanaal heeft grote verandering teweeg gebracht en vormde mee de aanleiding om tot verdeling van de gronden over te gaan. Daarvoor waren deze het gezamenlijk eigendom van de marke.
De marke Brucht met daarin het Bruchter veld als gemeenschappelijk eigendom van de marke

Op 31 januari 1835 werd een “Commissie belast met de administratie der Mark van Brucht” ingesteld. Het markerecht bleef men hanteren. Tot het tijdstip dat de gronden gelegen binnen de marke Brucht werden verdeeld (1860) hadden de geërfden met aan het hoofd de markerichter het voor het zeggen. Een door hen genomen besluit was wet en moest nagekomen worden.

De 'commissie van administratie' bestond uit de heren Jan Santman Rutgerszoon, fungerend Markerichter, Berend Vennebrugge Karelzoon fungerend verwalter, leden de heren Derk Jan Jentink en Berend Balderhaar
Een markerichter was voorzitter van de markevergadering (holting), ook 'holtrichter' geheten.
Geërfden waren eigenaars van een eigen 'erf' binnen de marke, ook
"eigenerfden" of "gewaarden" genoemd. Naast een eigen boerderij hadden ze een "waardeel" in de gescheiden marke (het recht om een 'gescheiden' gedeelte van de es te gebruiken). 

Op 25 maart 1854 werd het besluit genomen om tot verdeling van de gronden over te gaan. Er kwam een “Commissie van voorbereiding” tot stand die met het verdelen der Markegronden werd belast.

Deze voorbereidingscommissie bestond uit de heren H.H. Weitkamp, Wijlent Oldenwaterink, Egbert Hannink, Jan ter Wielen en Albert Herberts.
Het betrof hier de 'ongescheiden marke', de gronden in gemeenschappelijk gebruik. (groen- en madelanden voor het vee, het bos en hout voor gebouwen en gereedschappen, het veen voor de brandstof en de heide voor de schapen).
Al in 1909 waren er wettelijke regels voor het verdelen van deze gronden, in 1910 bij Koninklijk Besluit nog eens aangescherpt. Het heeft in de marke Brucht tot 1854 geduurd voor er, onder druk van de verveners, eindelijk een besluit genomen werd om tot verdeling over te gaan.
Dit besluit werd niet van harte en niet met algemene stemmen genomen: in die vergadering liepen de heren H. Meijerink, J.H. Meijerink, D.J. Jentink, H. Snijders, J. Brink en J. Niezink het schoollokaal van Brucht uit voordat tot stemming werd overgegaan, vermoedelijk omdat zij tegenstanders van de verdeling van de gronden waren, geen uitspraak wilde doen of geen gewaarden waren

Onder goedkeuring van de gewaarden werd landmeter Justus Salomon Albertus Boeijink uit Lutten aangesteld om het veld en nevenstukken in te meten en daarna in waardelen te verdelen. Voor deze enorme werkzaamheden kreeg hij 'slechts' 65 cent per ha. Het betrof een uitgestrekt gebied, hier en daar een stuk met boekweit bezaaid en ook met gaten waaruit het veen voor eigen gebruik was gestoken. Zulke gaten stonden meestal vol water omdat er geen ontwatering voor deze lage gronden was.

Een 'waar' of 'waardeel' is gebonden aan een in de marke gelegen boerderij of erf, een 'gewaard erf'. De eigenaar ervan noemde men wel 'geërfde'.
De onverdeelde markegronden, eigendom van de marke Brucht waren gelegen in vier gebieden: het Onderveld (ten noorden van de Bruchterbeek), het Bruchterveld (ten zuiden van de Bruchterbeek tot aan de Bergentheimer beek), het Hongerveld (westelijk van het Bruchterveld tot aan de Breede Sloot) en het Bovenveld, (tussen Breede Sloot en Balderhaar). Het Onderveld wordt ook wel het Emterbroek genoemd.

Concrete plannen voor het graven van een wijk

De komst van het Overijssels Kanaal was voor de ontveningen van zeer groot belang. Door middel van dit kanaal kon de turf worden afgevoerd die met kleine zogenaamde bokken uit het veengebied naar het kanaal werd gevaren en dan werd overgeladen op grotere schepen die 20 tot 30 ton turf konden verstouwen. Grote verveners in het gebied waren de grondeigenaren de familie Van Roijen en Crull.
Dr. van Riemsdijk diende in de vergadering van 29 augustus 1857 bij de Commissie van Beheer der Marke namens de familie Crull een voorstel in voor het maken van een verbinding van het Bruchterveld met het Overijssels Kanaal voor een betere afvoer van de turf.

Dr. van Riemsdijk uit Stad Hardenberg vertegenwoordigde meestal de familie Crull in de marke en de commissievergaderingen. Hij was gehuwd met Hermina Hendrika Crull

Hiervoor zal een verbinding met het kanaal moeten worden gemaakt. In die wijk zal een overslagplaats moeten komen met eventueel met een sluisje. 

Deze overslagplaats wordt later “Hoopstee” genoemd, vanwege de hopen turf die aan het eind van de 'bovenwieke' werden gelost en lagen te wachten om overgeladen te worden in grotere schuiten die vanaf het kanaal de 'onderwieke' opvoeren tot aan de 'hoopstee'.
Er is inderdaad een sluisje geweest om overtollig water van de hoger gelegen "bovenwieke" te kunnen lozen, in de volksmond "de goezerd" genoemd, naar het geluid van het aldoor stromende water. Op een kaart uit 1935 is duidelijk de overslagplaats te zien en ook hoe de 'bovenwieke' daar in gaffelvorm een stukje langs de 'onderwieke' heensteekt.  (handig voor het overladen)
klik voor grotere afbeelding

De geprojecteerde wijk zal gedeeltelijk vanaf het kanaal tot de hogere gronden moeten worden ingedijkt. Scheepvaart zal mogelijk gemaakt moeten worden. Ook mr. I.A. van Roijen heeft interesse want hij heeft achter de Breesloot nog veen zitten dat in exploitatie moet komen. De turf werd nu door de kleinere gegraven sloten naar het kanaal gevaren in bokken van een ton of acht en dan overgeslagen in de schepen gelegen in het Overijssels Kanaal.

Afstaan van gronden en vergunningsperikelen

Er ging een aantal jaren overheen, medewerking van de Overijsselse Kanalen Maatschappij was kennelijk moeilijk te krijgen.
Voor het uitzetten van de wijk werd landmeter J. Rigterink uit Gramsbergen aangetrokken. Niet een ieder kon zich direct met het uitgezette tracé verenigen. Hierdoor ontstond stagnatie en vaak moest men proberen een oplossing te vinden. Het overleg tussen de commissieleden en de landmeter vond elke dag in de namiddag plaats bij F. Dieters onder het genot van een glaasje jenever. Ook de geërfden konden daar terecht om met de commissieleden en de landmeter te spreken over het afstaan van grond. Ondertussen ging men door met het verdelen van de gronden op papier. Op 7 april 1860 passeerde de overdrachtsakte bij de notaris in Heemse.

De prijs was van sterke drank was er zeer gunstig en wel 10 cent per glaasje.
De residerende notaris was Willem Frederik van der Meulen in Heemse.

Met vele vroegere geërfden lukte het om de nodige gronden voor de aanleg van de wijk te verkrijgen, het was tenslotte alleen Jennigje ter Wielen, de weduwe van Gerrit Jan Brink, die onder geen beding haar medewerking wenste te verlenen. Zij had er naar eigen zeggen geen enkele behoefte aan een grote wijk door haar land of ook maar er vlak langs te hebben.

Gerrit Jan Brink werd gewaarde in juni 1825. Hij werd in 1854 ziek en overleed in hetzelfde jaar.
Bij akte van scheiding van 1860 kwam het eigendom van de wed. Brink op een oppervlakte van 23.60.95 ha.

Men klopt ten einde raad bij het College van Gedeputeerde Staten van Overijssel in Zwolle aan voor advies. Dat luidt: ga met de weduwe Brink praten en tracht tot een oplossing te komen. Er is geen bepaling in de wet, provinciale verordening of gemeentelijke verordening om de nodige werken tegen de wil van de weduwe Brink uit te voeren.
In de vergadering van 17 maart 1862 wordt door de Commissie aangegeven dat de wijk die gegraven zal worden voor het eerste gedeelte vanaf het Overijssels Kanaal op de waterlijn zes meter breed zal worden. Deze breedte zal worden doorgevoerd tot de ontworpen overslagplaats voor de turf. Tot hier zal de wijk een diepte verkrijgen gelijk aan de waterdiepte van het Overijssels Kanaal en wel plusminus twee meter. Na de overslagplaats zal de wijk op het waterpeil een breedte verkrijgen van vier meter en tachtig centimeter en een diepte van één meter. In de kanaaldijk of kade zal een brug worden gebouwd van het type zoals de Overijsselsche Kanalisatie Maatschappij heeft toegepast. In elk geval zal het een draaibare brug worden voor het passeren van de schepen. De kaden vanaf het kanaal naar de overslagplaats zullen dezelfde hoogte dienen te verkrijgen als thans langs het kanaal gelegen zijn.

Deze 'onderwieke' was een zijtak van het Overijssels Kanaal, zelfde diepte en zelfde dijkhoogte. De monding in het kanaal was recht tegenover de plek van de openbare lagere school, die enkele jaren later aan de overzijde van het kanaal gebouwd is.
De draaibare brug werd een zgn. vlotbrug  of “scholle”, een uiterst eenvoudige drijvende brug. Hoelang deze scholle de beide oevers van de wijk heeft verbonden en hoeveel gebruik ervan gemaakt werd is niet meer goed na te gaan. Hij is nooit vervangen door een vaste brug en was niet meer nodig toen de ontginning van het Bruchterveld voltooid was en de wijk werd afgedamd.
klik hier voor een grotere versie

De kosten van deze werken van aanleg en onderhoud komen ten laste van de belanghebbende grondeigenaren. De families Van Roijen en Crull stellen een extra bijdrage ter beschikking. Ook wordt genoemd een Boksloot met de daarbij behorende kunstwerken. De voorzitter heeft goede hoop dat de vergunning spoedig van de Overijsselsche Kanalisatie Maatschappij zal worden verkregen.

Vanaf wat nu het centrum van het dorp Bruchterveld is ging de 'bovenwijk' over in een smallere 'boksloot' die doorliep tot aan de 'breesloot'. De bedoelde kunstwerken waren stuwen, nodig om het waterpeil in stand te houden. Het land achter de 'breesloot' richting Balderhaar ligt verscheidene meters boven het niveau van de 'bovenwijk'

Goedkeuring plannen

In de vergadering van 25 april 1863 komt het probleem met de weduwe Brink opnieuw aan de orde. Ze wil wel medewerking verlenen als enkele wijzigingen in het plan worden doorgevoerd. Gehoord de noodzakelijke aanleg van een Boksloot en wijk voor de afvoer van de turf uit de veenlanden boven de Breeslootdijk, gaat zij akkoord met het graven van deze watergangen langs en gedeeltelijk in haar land onder de navolgende voorwaarden:

Deze voorwaarden worden geaccepteerd door de Commissie en later door de medeleden. Op 28 april 1863 wordt het gewijzigde plan ter goedkeuring aan de Overijsselsche Kanalisatie Maatschappij toegezonden. De medewerking van de Raad van Bestuur der Overijsselsche Kanalisatie Maatschappij te Zwolle was thans voortreffelijk. Middels een schrijven van 7 mei 1863 worden een negental voorwaarden genoemd waaronder een wijk aan het kanaal mocht worden aangesloten. Deze voorwaarden werden alle door de belanghebbende eigenaren van de gronden aanvaard.

  1. Er werd een vlotbrug gebouwd in de kanaalkade met landhoofden overeenkomstig het model door de Overijsselsche Kanalisatie Mij. in gebruik die kon worden uitgevaren.
  2. Tevens werd een draaibare vonder gebouwd teneinde voetgangers te laten passeren in de tijd dat de brug werd uitgevaren. Tevens werd deze vonder gebruikt voor het bedienend personeel van de vlotbrug.
  3. Tussen de gronden van Bergentheim en Brucht werd voor de waterafvoer een grondduiker gelegd lang 30 meter van 2½" eikenhouten delen. Het doorstroomprofiel was 25 vierkante palmen.
  4. De dijken of kaden, ook boven de duiker doorlopende, kregen een kruinbreedte van 4 ellen vanaf de aansluitende kade langs het kanaal tot de hogere gronden 9,80 meter plus AP.
  5. De bodemdiepte van de eerste vijfhonderd meter vanaf het kanaal tot de overslag verkreeg een diepte gelijk aan het kanaal.
  6. Tevens werd gebouwd een overslagplaats om de turf vanuit de kleine bokschuiten over te kunnen laden in de grotere schepen die de turf over grotere afstanden afvoerden.
  7. Een waarborgsom van ƒ 300,- werd bij de Thesaurier van de Kanaalmaatschappij te Zwolle gestort. De kosten van eventuele door de belanghebbende grondeigenaren niet nagekomen verplichtingen konden in eerste instantie van de waarborgsom direct worden afgetrokken en moest daarop door de Commissie worden zorggedragen dat het bedrag weer werd aangezuiverd tot die ƒ 300,-.
  8. Alle onderhoud van de brug en kaden waren voor de Bruchtenaren.
  9. Bij eventueel in gebreke blijven van de gestelde voorwaarden had de Maatschappij het recht zich in het bezit van de brug en de wijk te stellen en 'den mond der wijk door eenen dam af te sluiten'.
Klik voor vergrote versie

Brief nr. 1023 gericht aan de heren H. Roelofs en H. Herbers uitmakende de Commissie van verdeling der Marke Brucht te Brucht gemeente Ambt Hardenberg.


Er kwam een houten duiker onder de 'onderwieke' door dus. Deze diende waarschijnlijk om het water uit Bergentheim middels een sloot evenwijdig aan het kanaal te kunnen lozen op de Bruchterbeek.

Een palm is een oude maat van ca. 10 cm. Een doorstroomprofiel van 25 vierkante palmen (5 x 5 palmen) zal een gat van ca. 50 x 50 cm doorsnede geweest zijn.

Een el is een oude maat van ca. 70 cm. 4 ellen moet dan ongeveer 2,8 m zijn.

Een Thesaurus behandelt alles wat met geld te maken heeft, soort controller dus

De brug is toen er geen turf meer werd gegraven ook vrij snel vervangen door een dam, waardoor de 'onderwieke' tussen de hoopstee en het kanaal een dood stuk water werd dat langzaam dichtslibde. Halverwege, tegenover ons huis was iets als een oversteekplaats. 's-zomers kon je daar met droge voeten van de een naar de andere kant komen.

De belanghebbenden met de grootste oppervlakte land in Brucht waren

Wed. Crull bezat ook nog land in “de Dooze” en “Akkers”.

Verder:
Gerrit Richterink met 80.31.40 ha, Derk Jan Jentink met 72.06.61 ha, Gerrit en Egbert Waterink met 70.52.52 ha, Albert Herbert met 60.87.40 ha, Wijneld Oldewaterink met 60.86.16 ha en nog 29 andere bezitters van grond die men later verkocht of er bijkocht.
Vanaf 1800 was het aantal landbezitters van 17 tot 37 toegenomen, ontstaan door deling na overlijden en zelfs verkoop. De overdracht vond plaats tegen afstand van alle verder genot en nog aanwezige rechten over de marke.


De wijk is gegraven, een dorp ontstaat

In de eerste jaren bleef men nog gezamenlijk de gronden beweiden.
Tussen 1 mei 1867 en 1 mei 1868 mocht op die grond groot 104 waardeel 7 beesten worden geweid en op 1/4 onderwaar 4 beesten over het gehele veld tegen ƒ 2,50 voor de ingezetene van Brucht. Dit weidegeld werd in 1868 verhoogd tot ƒ 3,-. Iedere huurder moest het weidegeld eerst betalen voordat hij weiden kon bekomen ook die van ouds nog weidegeld schuldig was. Een verbodsbepaling uit bovenvermelde periode: 'Bewoners van de Hooimaatsbelt mogen niet in het broek weiden'.

Met 'beesten' worden koeien bedoeld, ook wel 'koebeesten'.
Met het Broek, laag, drassig land, wordt waarschijnlijk het Bruchterbroek bedoeld. Het Bruchterbroek lag in het Hongerveld.
Daar ontsprong ook de Bergentheimer Beek die na het graven van het Overijssels Kanaal een amputatie onderging (kaart 1866) met als gevolg dat deze de aanvoer van water uit het natuurlijke brongebied moest missen en daardoor bijna uitdroogde, terwijl aan de oostzijde van het kanaal het water niet meer wegkon en Het Broek nog drassiger werd. Het Broek lag schuin achter ons huis. In het Bovenveld lag ook zo'n stuk drassig land: “Het Ebbenbroek”.  

De overeenkomsten kwamen in de plaats van het Markrecht. De ondertekenaars waren aan deze overeenkomsten gebonden en bij niet nakoming van een der artikelen volgde een boete ten behoeve van de armen. Dat laatste was als vanouds.

De monding van de wijk en de overslagpplaats wordt gepland in de "Midden Wharen" een gebied aan de oostkant van het  Overijssels Kanaal.

De monding van de wijk ligt in het voormalige Hongerveld. Op een kaart van 1897 heet dit gebied Middenwharen. Deze naam is ontstaan bij de verdeling van de markegronden na 1854. (de uitgang 'whare' moet niet geassocieerd worden met 'waardeel' maar komt van 'were': een perceel gelegen tussen twee sloten)
Ook het kadaster gebruikt in die tijd de benaming Middenwharen. Toen de wijk eenmaal gegraven was werden er spoedig woningen en boerderijen gesticht en ontstond er een soort dorpsgemeenschap.  De kern van het huidige dorp Bruchterveld is ongeveer waar de 'bovenwijk' overgaat in de 'boksloot'.
Het gebied waar de wijk in het Overijssels Kanaal uitmondt

Het veen, op een klein gedeelte na, verdween vervolgens spoedig uit het gebied en maakte plaats voor landbouw en veeteelt. Het gebied heette toen nog Brucht. Landeigenaars en arbeiders gingen er wonen en er ontstond een dorpsgemeenschap, het latere dorp Bruchterveld. Ook vestigden zich er spoedig enkele kruideniers. Een van hen was Hendrik Otter, die een winkel had aan “de Hoopstee”, de overslagplaats van turf. In 1889 kreeg hij vergunning om in de twee benedenvoorkamers van het huis “sterke drank in het klein" te verkopen. Publieke veilingen vonden ook plaats in dit café. Bij het naborrelen sloeg gezelligheid helaas wel eens om in ruzie.

Een van de eerste woningen in het pas ontgonnen Bruchterveld, de latere winkel/café van Otter, is gesticht in 1872. Het café heeft bestaan tot 1922, de winkel is in 1956 gesloten. Geheel rechts een oude foto (begin van de 20e eeuw) van een bok in de (boven)wijk voor het café van Otter aan de Hoopstee. klik voor grotere foto
klik hier voor een grotere versie

Het huisje van Jan en Anna Wind aan de  Onderwijk. .Rechts het kantoortje waar de afvaartgelden van de turfschippers geïnd werden. De veenbazen hadden niet alleen inkomsten van de turf maar ook voor het vervoer lieten ze betalen.
klik hier voor een grotere versie klik hier voor een grotere versie Een bokschuit met turf met op de achtergrond het huisje van Jan en Anna Wind.
Alles is inmiddels afgebroken, nu woont op deze plek fam. De Bruin.
(olieverf, © 1969 G.W. Grimmerink)

Toen aan het eind van de 19e eeuw nagenoeg alle turf uit het Bruchterveld verdwenen was verviel ook de functie van de voor dit doel gegraven wijk. De vlotbrug werd vervangen door een dam, bij gebrek aan onderhoud veranderde de bovenwijk in een stinkende sloot en in de onderwijk lag nog lange tijd half onder water het roestige overblijfsel van een lekke schuit die eens toebehoorde aan de fam. Tuin.

Tot ongeveer 1950 was de dichtgevroren 'onderwieke' een uitnemende schaatsplek voor beginners. Zittend op de rand van de deels gezonken schuit van Tuin kon je uitrusten of de schaatsen onderbinden. Schrijver dezes heeft daar de eerste beginselen van het 'schaatsenlopen' in die jaren ook geleerd.

Door de steeds weer achterblijvende resten van de vele overgeslagen turf was op de “De Hoopstee” zelf een reusachtige “bult”, een kleine heuvel ontstaan, inmiddels begroeid met berkenopslag.
In 1941 was in de gemeenteraad van Ambt-Hardenberg al een voorstel aangenomen om de 
afwatering vanuit Bruchterveld te verbeteren en iets te doen aan de dichtslibbende wijk. Het heeft tot de jaren 50 van de vorige eeuw geduurd voordat er concrete invulling aan werd gegeven. Berekeningen toonden aan dat de inhoud van de bult op de Hoopstee toereikend was om de hele onderwijk te dichten. Dit plan is ook uitgevoerd, men heeft de verhoging afgegraven en gebruikt voor het dempen van de wijk. In 1956 is men hiermee begonnen en in de plaats van de wijk is een waterleiding met een tweetal stuwen gerealiseerd en de zandweg richting Bruchterveld is verhard. Deze weg heeft de passende naam "Hoopsteeweg" gekregen.

klik hier voor een grotere versie Het huisje van Haandrikman dat vlak naast dat van Otter aan de Hoopstee stond. Dat er 's winters een behoorlijk pak sneeuw lag was geen unicum.
Later is dit huisje aangekocht door B.J. Grimmerink. Inmiddels is het een paar keer van eigenaar veranderd, nu woont er de fam. Timmerman.
(olieverf, © 1969 G.W. Grimmerink)

De gedempte onderwijk is beplant met voornamelijk populieren, productiebos dat inmiddels in 2001 is gekapt. Er is geen nieuwe aanplant gedaan, de natuur doet de rest. Momenteel ontstaat spontaan een bosperceeltje met voornamelijk berken en elzen, een nieuw stukje groen dat in niets meer herinnert aan het turftransport uit het verleden.


rechts boven, waar de weg een knik maakt was vroeger de Hoopstee
De Hoopstee vanuit de lucht zoals het er in 2001 uitzag

Valid HTML 4.01! foto's en bewerking © Gerrit Willem Grimmerink (bijgewerkt 2013)